PAKKRACHT NR 1 2026 41 Naast plastic is ook het statiegeldsysteem een grote kostenpost. Verpact rapporteert €182 miljoen aan investeringen in de verbetering van inzameling en verwerking van statiegeldflessen en -blikjes. Dit bedrag gaat onder meer naar vergoedingen voor innamepunten, transport, verwerking, uitbreiding van innamevormen (zoals bulkinname) en publiekscommunicatie. Het grootste deel van de financiering blijft echter de Afvalbeheerbijdrage: in 2024 was dat €511 miljoen. Verpact keert daarmee onder andere vergoedingen uit aan alle 342 gemeenten voor inzameling en aan sorteerders en recyclers op basis van contractuele afspraken. Waarom het schuurt: prestaties, overlast en het gevoel van “geld zonder plan” Hoewel Verpact aangeeft dat alle middelen volledig terug de keten in gaan, schuurt er iets in de beeldvorming en in de praktijk. Dat komt door de combinatie van drie factoren: • Inzameldoelen voor statiegeld worden nog niet gehaald • Recyclers staan onder economische druk • De publieke ervaring met statiegeld is vaak negatief (zwerfafval, opengebroken prullenbakken, frustratie bij innamepunten) Voor de statiegeldverpakkingen geldt in Nederland een wettelijke inzameldoelstelling van 90%. Maar de ingezamelde percentages liggen daar nog onder. Dat betekent niet alleen dat materiaal uit het systeem lekt, maar ook dat er structureel statiegeld niet wordt uitgekeerd. Verpact stelt dat dit “niet-geïnde statiegeld” onderdeel is van de financiering van het systeem en volledig wordt ingezet voor het verbeteren van inname en verwerking. Toch blijft de kernvraag bestaan: als er jaarlijks zulke grote bedragen rondgaan, waarom zijn sommige structurele knelpunten dan zo hardnekkig? Denk aan capaciteitstekorten, faillissementen in de recyclingsector en de blijvende discussie over zwerfafval rond blikjes en flesjes. Binnen de verpakkingsindustrie leeft bovendien een aantal andere vragen: hoe wordt bepaald waar het geld precies naartoe gaat, welke projecten prioriteit krijgen en welke KPI’s daarbij worden gehanteerd? In de sector groeit de behoefte aan een publiek en meetbaar investeringskader, waarin duidelijk staat welke investeringen bijdragen aan hogere inzameling, welke bijdragen zorgen voor meer recyclingcapaciteit, welke projecten de kwaliteit van recyclaat verbeteren en hoe de kosten per ton beheersbaar blijven. Zeker omdat het systeem centraal en wettelijk is ingericht, ligt er een extra verantwoordelijkheid om keuzes te onderbouwen en de impact transparant te maken. De rol van nascheiding: efficiëntie versus materiaalzuiverheid Een tweede thema dat door de financiële discussie wordt aangejaagd, is de vraag of het systeem voldoende pragmatisch is ingericht. Nascheidingsinstallaties worden steeds slimmer en kunnen een aanzienlijk deel van verpakkingen uit restafval terugwinnen. In sommige scenario’s lijkt dat efficiënter dan het verder uitbreiden van broninname, zeker als consumentengedrag moeilijk te veranderen blijkt. Tegenover dat argument staat dat broninname – als het goed wordt uitgevoerd – schoner en effectiever is, maar als dat niet het geval is, dan is nascheiding geschikter. Voor de verpakkingsindustrie is de uitkomst vooral praktisch: het systeem moet aantoonbaar leiden tot hoogwaardige grondstoffen, tegen beheersbare kosten, met zoveel mogelijk zekerheid van afzet. Daarom kijken steeds meer ketenpartijen naar een hybride aanpak: bronscheiding waar het kan, nascheiding waar het moet. Ook hier geldt: bij grote geldstromen wordt de vraag groter of investeringen voldoende gericht zijn op de maatregelen met de grootste impact. Wat betekent dit voor verpakkers, merkeigenaren en de keten? Voor de verpakkingsindustrie raakt deze discussie direct aan strategische keuzes. De UPV-structuur betekent dat bedrijven de financiële verantwoordelijkheid dragen en dus ook belang hebben bij voorspelbare tarieven, een stabiele recycle-infrastructuur, beschikbaarheid van recyclaat en een systeem dat vertrouwen wekt bij consument en overheid. De cijfers uit de jaarrekening maken duidelijk dat het systeem veel geld in beweging zet – €626 miljoen in één jaar – maar ook dat het economisch kwetsbare materiaalstromen overeind moet houden, met name plastic. Klein Lankhorst zegt het duidelijk: “Het doel is dat alle materialen hun eigen keten economisch kunnen dragen.” Dat is precies de uitdaging voor de komende jaren, zeker met nieuwe Europese regels op komst. De vraag is hoe snel de keten daar naartoe kan bewegen en hoe transparant Verpact kan laten zien welke investeringen daarvoor nodig zijn. Verpact heeft de middelen De Nederlandse keuze voor één uitvoerder heeft onmiskenbare voordelen zoals schaal, uniformiteit en kennisbundeling. Verpact investeert jaarlijks honderden miljoenen in de keten en werkt aan de transitie naar circulaire verpakkingsmaterialen. De jaarrekening laat bovendien zien dat het beeld van “winst” niet klopt. “Onze tarieven zijn gebaseerd op te maken kosten en we innen dus niet meer dan nodig om de circulaire transitie te financieren”, aldus Klein Lankhorst in een reactie. Het eigen vermogen van Verpact is beperkt en de liquiditeitspositie hangt samen met openstaande verplichtingen. Maar juist omdat de bedragen zo groot zijn, groeit ook de noodzaak voor een transparanter en concreter verhaal. “Juist met de publicatie van onze jaarrekeningen willen we open zijn. Wel merken we dat het complexe materie is, aan ons de taak om dit helder en begrijpelijk over de bühne te brengen”, zegt Klein Lankhorst. Het systeem is afhankelijk van draagvlak zowel bij bedrijven die betalen, als bij gemeenten die uitvoeren en bij consumenten die moeten inleveren en scheiden. Of zoals Kluiters het bouwdepot noemt: geld staat klaar om besteed te worden. De uitdaging is nu om voor de hele keten zichtbaar te maken welke doelen daarmee worden bereikt en wanneer.
RkJQdWJsaXNoZXIy MTAyNDU4